Eigenbilzen
Het vorstengraf van Eigenbilzen
De ontdekking:

Op 20 juli 1871 waren arbeiders werken aan het uitvoeren aan de gemeentewegen. Bij het uitvoeren van deze werken en het wegnemen van grond waren zij op oude voorwerpen gestoten.  Deze werken gebeurden op het perseel met kadasternummer 336C en behoorde toe aan een zekere Jans. Het perseel lag achter de dorpskerk en werd "De Cannesberg" genoemd. Deze naam wordt in verband gebracht met de familie Cannes welke in het parochiaal register genoemd zijn doch de verwantschap tussen berg en deze familie is nooit bewezen.  Ook de naam "Cannesberg" komt in geen enkel kadastraal plan voor doch het is wel een ingeburgerde naam bij de oud-Eigenbilzenaren. De Cannesberg is gelegen een dertigtal meter hoger dan de vallei van de Krombeek (Kroonbeek). Deze omgeving wordt wel "Keusterberg" genoemd op het oude kadastrale plan.
Uit de volksverhalen schijnt dat de gevonden voorwerpen niet dieper dan een halve meter in de grond lagen. De arbeiders kregen ruzie over hun vondst en bij het trekken en stoten werden deze gevonden voorwerpen helaas aanzienlijk beschadigd. Enkel de stevige kan kwam ongehavend uit de ruzie.
Dankzij een kordate tussenkomst van E.H. Pastoor Verjans werden de bevoegde overheden in kennis gesteld van de vondsten.
Door de overheid werd aan ridder C. Borman en Henri Schuermans, bekende archeologen aan de universiteit van Luik, de opdracht gegeven de vondsten te bestuderen. Het Koninklijk Museum te Brussel heeft dan de gevonden stukken kunnen aankopen.

Op de nabij gelegen percelen werden ook opgravingen gedaan maar deze opgravingen leverden niets op, behalve wat kleine resten die bij het zeven te voorschijn kwamen.
Enkele fragmenten van de gouden sierband die na regenweer in de afgevoerde aarde gevonden werden verdwenen in privéverzamelingen.

Het jaar na de vondsten wijdde Henri Schuermans een zeer gedocumenteerde en lange studie aan de vondsten in het "Bulletin des commissions Royales d'Art et d' archeologie. Met een scherpe blik noteerde hij het Etruskisch karakter van de wijnkan welk hij situeerde als voorromeins van in de 4° eeuw voor onze jaartelling.
Samen met een reeks andere professoren uit de hele wereld zag hij duidelijk dat het hier om importstukken ging die langs de landweg, overheen de Alpen tot in de Rijnzone verspreid werden. De vondst van de Cannesberg werd in datzelfde jaar nog uitvoerig besproken tijdens het 6° "Congres International d'Anthropologie et d' Archéologie Préhistorique" in Brussel. Het vorstengraf van Eigenbilzen is sedertdien steeds in het blikpunt van de internationale belangstelling gebleven.
Een studie wijst uit dat de oinochoai van Etruskisch type en hun verspreiding benoorden de Alpen, de wijnkan van Eigenbilzen als het meest noordelijke gevonden exemplaar beschouwd wordt.
Ook de emmer met gegolfde wand kreeg zijn plaats in het in 1967 verschenen werk van professor Berta Stjernquist, over de "Ciste a cordoni", die aan de hand van lijsten en verspreidingskaarten de mogelijke streek van herkomst in Noord Italië vastlegde.
Eigenbilzen